Pensioenen

Betere pensioenen in tijden van vergrijzing?

Op zaterdag 20 maart 2004 werd beslist dat alle sociale uitkeringen definitief aan de welvaart zouden gebonden worden. Dit zou inhouden dat elke gepensioneerde, invalide en werkloze zich voortaan mag verwachten aan een regelmatige verhoging van zijn of haar uitkering. Dit is echter niet het geval! Hier gaan we bespreken wat het belang is van de welvaartsaanpassing van de pensioenen in tijden van de vergrijzing.

Waarover gaat het?

De Belgische pensioenen volgen elke overschrijding van de spilindex. Zo blijven ze koopkrachtvast: met het pensioenbedrag kan men alijd dezelfde hoeveelheid goederen aankopen. Ook houden de pensioenen gelijke tred met het stijgen van de lonen. De gepensioneerde kan zich ook méér of duurdere producten aanschaffen, net zoals de actieven dat kunnen dankzij de loonstijgingen. Dit tweede principe van de welvaartsvastheid is in tegenstelling tot de indexeringen niet wettelijk gewaarborgd. De werkelijke uitdaging van de vergrijzing zal erin liggen om tegelijk méér en hogere welvaartspensioenen toe te kennen. Dit 'dure' prijskaartje zou zich wel eens via een andere weg kunnen manifesteren: via een veralgemeend wantrouwenin de sociale zekerheid en hogere armoedecijfers.

Waarom is de welvaartsaanpassing zo belangrijk?

Om het belang van de welvaartsaanpassing te evalueren moeten we zicht krijgen op de mate waarin de pensioenen anno 2004 toereikend zijn. Dit meten we af aan vier parameters:

Het niveau van de minima:

Zowel de minimumpensioenen van volledige loopbanen van zelfsandigen als die van werknemeres liggen onder de relatieve armoedegrens. Ook de Inkomensgarantie voor Ouderen ligt onder deze grens, zowel voor alleenstaanden als voor samenwoonden. De regering geeft dan ook terecht voorrng aan het optrekken van deze minima.

Het gemiddelde pensioen:

In 2000 bedroeg het gemiddelde werknemerspensioen 31,5% van het gemiddelde brutoloon in de privé-sector. Dit is een gevolg van meerdere factoren: de afgebouwde herwaardering en de afwezigheid van een welvaartsaanpassing, het toenemende aandeel alleenstaandenpensioenen, de pensioensberekening over de hele loopbaan.

De vervangingsgraad:

De factoren die we bespraken in het vorige puntje verklaren waarom de vervangingsgraad van het pensioen in het eerste jaar van pensionering tot het laatst verdiende loon zo laag ligt. De 'gemiddelde man' valt terug op iets meer dan één derde van zijn laatst verdiende brutoloon. In nettotermen is deze totale vervangingsgraad 66.1% wat wijst op een vrij gunstig fiscaal regime voor de pensioenen zoals voor alle vervaningsinkomens. Toch ligt dit niet een zo hoog. Ook na tien jaar pensionerin ligt in de netto vervangingsgraad erg laag in vergelijking met andere landen.

204083_962_1211277104771-Vervangingsratio_pensioen.jpg


Nettovervangingsratio's voor gemiddelde inkomens. De landen zijn gerangschikt in volgorde van netto pensioen vervangingsratio van gemiddelde inkomens. Bron: OECD 2007, Pensions at a glance, Pension Models

De kans op armoede:

Het armoederisico voor 65-plussers ligt op 26% dat is dubbel zo hoog als voor de totale bevolking.

Besluit: Aan de hand van deze vier parameters kunnen we niets anders dan besluiten dat de Belgische pensioenen niet erg riant zijn. Het systeem vervuilt onvoldoende zijn bijstandsfunctie en verzekeringsfunctie (armoede bestrijden en inkomen garanderen in constante verhouding tot de geleverde bijdragen.

Gevolgen

De niet-aanpassing van pensioenen aan de welvaart heeft twee rechtstreekse gevolgen voor de pensioenbedragen.

  1. list item Het achterna hinken van de pensioenen op de loonevloutie
  2. De grootste achteruitgang van de 'oudste' pensioenen

Het achterna hinken van de pensioenen op de loonevolutie

De brugpensioenenworden jaarlijks aangepast, evenredig aan de ontwikkeling van de indexcijfers van de regelingslonen. De pensioenen hinken na op de lonen en de brugpensioenen. De pensioenen zijn de afgelopen tien jaar gestegen met een 18% terwijl de lonen meer dan 26% toenamen.

De grootste achteruitgang van de 'oudste' pensioenen

Een tweede gevolg van de niet-welvaartsbinding is de relatief grootste achteruitgang van de 'oudste' pensioeen omdat zij al langere tijd de niet-welvaartsbinding hebben ondergaan.

De herwaardering

De financiers van ons pensioenstelsel, de actieven hebben weinig reden om hun toekomstig pensioenbedrag optimistisch te bekijken. En dit om twee redenen.

De loongrens wordt vanaf 1999 om de twee jaar aan de conventionele loonsverhoging aangepast. Maar er werd geen inhaaloperatie doorgevoerd voor de achterstend die werd opgelopen in de periode ervoor. Daarenboven wordt ook de wage drift - de structurele verschuiving op de arbeidsmarkt naar meer gekwalificeerde en beter betaalde jobs niet worden in rekening gebracht. Zo zal er een steeds grotere kloof ontstaan tussen werknemers en gepensioneerden.

Een tweede factor dat van belang is de afbouw van de herwaarderingscoëfficiënt: een parameter waarmee men de vroeger verdiende lonen vermenigvuldigt, om ze zo op het niveau te brengen van het tijdstip van pensionering. Deze coëfficiënt bevat een prijs- en een loonstijgingscomponent. Vanaf 2005 zullen de verdiende lonen dus enkel worden aangepast aan de evolutie van de prijzen.

Het verzekeringsprincipe

Het verzekeringsprincipe staat als fundamenteel princie in het socialezekerheidscontract ingeschreven. Dit principe is stelselmatig afgezwakt. Het principe verliest aan geloofwaardigheid zowel bij de financiers van de pensioenen als bij de genieters ervan. De financiers van de pensioenen weten dat hun pensioenbedrag nog zelden zal verhogen. De politieke en maatschappelijke gevolgen van het besef zijn op dit ogenblik nog moeilijk in te schatten. De burger lijkt steeds minder terug te krijgen. Er wordt van hem of haar een maximale verantwoordelijkheid voor het sociale welzijn verwacht, maar stilaan maximaliseert men tegelijk ook zijn of haar verantwoordelijkheid voor het individuele welzijn. De evolutie is ook merkbaar in andere socialezekerheidstakken.

Het heil van de tweede pijler

Sparen voor een arbeidsgerelateerd aanvullend pensioen wordt gepropageerd als hét nieuwe middel om later een degelijk pensioen te hebben. Men kan de actieven niet verwijten om daarop in te spelen. In elk geval komen de gestegen pensioenbijdragen niet bij de huidige generatie senioren maar bij de later gepensioneerden. Een volwaardig pensioen kan nooit weggelegd zijn voor een persoon die langdurig werkloos of invalide is. Waardoor meer mensen gaan investeren in een andere pijler, gezien de wettelijke pijler relatief weer minder middelen krijgt en de pensioenen inderdaag steeds moeilijker betaalbaar worden. De enige manier om deze neerwaartse spiraal tegen te gaan, is het geven van een krachtig beleidssignaal dat getuigt van een onvoorwaardelijk geloof in het wettelijk pensioen.

Wat met de vergrijzing?

De vergrijzing zal tussen 2003 en 2030 een budgetaire meerkost beteken van 3,4% van het bruto binnenlands product, alle socialezekerheidstakken in aanmerking genomen. De vergrijzing is een extra argument voor welvaartsvaste pensioenen. De vergrijzing hoeft niet geproblematiseerd te worden. Ze is een maatschappelijke verwezenlijking van formaat. Om te beginnen is het een succes op individueel niveau. Mensen leven langer en gezonden. Het is een maatschappelijk succes, want het opschuiven van de babyboomgeneratie in de leeftijdspiramide hing en hangt samen met de opbouw van een welvarende samenleving. De vergrijzing is geen ziekte maar een uitdaging dat we moeten aangaan.

Welke uitdaging?

Het wijzigen van de demografische verhoudingen zal een diepgaande invloed uitoefenen op het sociaal-economische, politieke, cultuele en mediatieke veld. De vergrijzing zal zich vertalen in een maatschappelijke 'grijze revolutie'. Hierop moeten de sociale organisaties en de ouderenorganisaties in het bijzonder zich voorbereiden. We stuen aan op zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve verbetering van de maatschappelijke waarderng voor ouderen, waarvan de verbetering van de sociale bescherming uitmaakt.

Kwantitatief

Dit betekend meer middelen want meer gepensioneerden betkent meer pensioenen betalen, meer rusthuisbedden voorzien, meer gezondheidszorguitgaven terugbetalen enzovoorts. We moeten er dus in slagen om die ouderen dezelfde sociale bescherming te geven als nu.

Kwalitatief

De meestgestelde vragen bij het publiek gaan vooral over het kwalitieve leven. Om te beginnen dienen we het begrip 'oud' een nieuwe invulling te geven. Op ouderdom staat geen leeftijd. Maar de oppensioenstelling is steeds minder een opruststelling en steeds meer een keerpunt waarop men zijn activiteiten kan herroriënteren,van zijn vrije tijd genieten en zich engageert. In deze functie verandert ook de functie van pensioensuitkering. Om volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijk leven vereist een volwaardig pensioen. Als dit pensioen door de jaren heen in waarde verlaagt, zal de oudere steeds minder kunnen. We hebben het hier niet over grote luxe maar over een minimale sociale integratie.

Slot

De werkelijke uitdagng voor de pensioenen zal er niet alleen in bestaan om de bijkomende pensioenen te betalen, maar ook meer toereikende pensioenen te garagnderen. Ook in deze context is de welvaartsaanpassing cruciaal.

Hoe verder?

Het enige echte antwoord op de penioenproblematiek is dan ook een 'herstutting van de wettelijke pensioenpijler. Dat betekent: regelmatige welvaartsaanpassingen voor alle pensioenen en in de mate van het mogelijke een inhaaloperatie voor de 'achterstaande' loonplafond. In een alternatief scenario waarbij we ambitieuzer zijn en de pensioenen van voor 1998 aan de welvaart binden, bedraagt de kost 128 miljoen euro. Naast zijn budgettaire realisme heeft dit voorstel ook het voordeel van duidelijkheid: men garandeert betrokkene dat zijn of haar pensioen inhaakt op de welvaartsontwikkeling vanaf het tiendejaar pensionering. Een derde verdienste van dit voorstel is dat het zou kunnen kaderen in een vernieuwd eindeloopbaanbeleid. men zou er immers voor kunnen opteren bepaalde beroepsgroepen toe te staan de arbeidsmakrt vroeger te verlaten omdat ze een belastende job uithoefennen.

Besluit: Agree to disagree

in tijden van vergrijzig zal het welgeslagen van het Belgisch sociaal model er niet alleen van afhangen of we de extra pensioenen zullen kunnen betalen, maar ook of we betere pensioenen zullen kunnen bekostigen. In dat kader kunnen we spreken van een herstutting van de eerste pensioenpijler, een operatie waarin de welvaartsbindingen centraal dient te staan. Want ook de popularisering van de tweede pensioenpijler is nog lang niet iedereen aanvullend verzekerd. En sommigen zullen nooit aansreek maken op een aanvullende uitkering. De wettelijke pijler blijft nog lange tijd de enige constructie die tegelijk verzekert en solidair is, en hij dient geherwaardeerd te worden.1

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License