Onderwerpsverkenning

Hoe beginnen we?
In het vak SAV koos je een thema en een projectgroep. Als eerste stap zoekt elke student een recente én degelijke basistekst over dat thema. Zoek via de catalogus van de schoolbibliotheek en noteer de plaats in de vorm van een Udc-nummer. Zoek het artikel op en controleer of je tekst over referenties beschikt (een auteur en titel, voet- of eindnoten en een bibliografie). Indien dat zo is kan je op deze tekst verder werken. Maak een copie van de tekst en werk hierop.

Open een nieuw Worddocument en geef het de naam Klas_naam_voornaam_.doc. Na je klas volgt een underscore, je naam, een underscore voornaam [geen hoofdletters], vervolgens opnieuw een underscore. Je achternaam, al bestaat ze uit verschillende delen, schrijf je aan elkaar. Maak in het document een correcte referentie van het artikel. Vervolgens beantwoord je deze vragen. Het is NIET de bedoeling dat je de tekst overtikt!
Bekijk en beschrijf de context van het artikel. Wat is het geheel rond het artikel [komt het uit een tijdschrift, een boek, een losbladig naslagwerk, een encyclopedie] én beschrijf kort dit geheel.
De auteur a. Wie schreef het artikel? Wordt er in het artikel informatie gegeven over de auteur? Indien ja, wat? b. Wat vind je op internet (gebruik Google en sociale netwerksites) over deze auteur? c. Wat vertellen de catalogi over de auteur, met andere woorden wat heeft deze auteur nog geschreven?
De structuur a. Wat zijn de tussentitels? b. Kent het een duidelijke structuur, is die logisch? c. Worden de voetnoten onderaan, achteraan of in de tekst opgenomen? Is dit handig?
Neem het artikel vormelijk door. Verlies je niet in de inhoud. Daar is het niet om te doen. Onderlijn of breng kleur aan volgens een systeem. Verwijzingen naar geschreven bronnen en websites onderlijn je, specialisten kleur je rood, essentiële begrippen, definities en moeilijke woorden kleur je geel, namen van instellingen of organisaties kleur je groen.
Maak een lijstje met
interessante bronnen die je nog wil doornemen
met organisaties betrokken bij het thema
met specialisten
definities en moeilijke woorden
Deze lijsten gebruik je bij het zoeken naar meer info. Gebruik bij de moeilijke woorden de elektronische woordenboeken die de school ter beschikking stelt. Zoek synoniemen en/of verklaringen.

Maak tot slot een korte synthese van je tekst. Die synthese of een interpretatie verwerk je per persoon in een PowerPoint van ongeveer 10 dia’s. Zoek illustratief materiaal op het net (vergeet je bron niet te vermelden) of maak het zelf aan. Origineel materiaal wordt hoger gewaardeerd. Zorg dat je presentatie vanzelf en logisch loopt bij aanklikken. Zorg voor logische animaties binnen één dia. Sla je presentatie op als Klas_naam_voornaam.ppt.

Motivatie?

  1. Het gebruik van woordenboeken en synoniemenwoordenboeken is een methode om je woordenschat omtrent een onderwerp uit te breiden en verbreedt het aantal ingangen [trefwoorden] die je gebruikt bij het zoeken naar informatie omtrent je onderwerp.
  2. Je leert het onderscheid maken tussen diverse soorten bronnen.
  3. Je leert op een correcte wijze verwijzingen maken.
  4. Je leert omgaan met Word, PowerPoint, Excel, een browser en eventueel andere software.
  5. Je verkent de schoolbibliotheek.
  6. Je gaat kritisch om met bronnen.
  7. Je verkent een onderwerp in het sociaal-agogisch werkveld.
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License